
Smachtend sprak de kater voor zich uit
“Ik weet, ik ben een ijdeltuit
Niemand anders heeft zo’n mooie vacht
Of zulke schattige kuiltjes als hij lacht
Nee, ik ben werkelijk uitzonderlijk mooi
Er zijn er weinig van zulk allooi
Denkt er eentje toch te kunnen tippen
Dan tuit ik zoetjes mijn prachtige lippen
En zeg vilein: ‘Ach snoezepoes, wees eens lief,
je bent er toch echt enkel voor mijn gerief’ “.