Hoe de ex-punker zichzelf terugzag in het tuttige popje

Zittend thee drinkend porselein popje met tuttige inborst

Identiteit is een verhaaltje dat wij onszelf vertellen. Of anderen laten vertellen. Ik was vijftien of zestien en ontdekte punk. Dat was een etiketje en werd op mij geplakt. Terwijl ik vooral aangetrokken werd door het vrije, rebelse karakter van de punker an sich en de styling van de outfit. Verder had ik nog geen idee wie ik zelf was, laat staan dat ik wist waartegen ik no future moest roepen. Wel wist ik hoe ik mijn haar in alle kleuren van de regenboog kon verven, hoe ladders in de panty’s getrokken werden, en hoe op de rommelmarkt in Rotterdam Blaak eigenzinnige kledingstukken uit het rek te trekken. Bij theaterwinkels vond ik make-up in alle kleuren. Ik wilde niet alleen zwart maar versierde mijn ogen uitvoerig van knalrood naar knalgeel. Ik vond dat je punk best kon combineren met zoete jaren vijftig jurken of luisteren naar Doe Maar. Ik vond het juist goed om mijn eigen ingrediënten te mengen met die rigide punksaus. Ik wilde niet zomaar doen wat iedereen deed, daar was het spel immers om begonnen. En trouwens, hadden Vivianne Westwood en Malcolm McLaren niet een succesvolle punkmodewinkel? 

Ik luisterde naar X-Ray Spex maar ook naar vrolijke dansmuziek. Ik had nieuwe vrienden en oude vrienden. En dat kon niet volgens sommigen orthodoxe lokale punkers in het miezerige stadje waar ik opgroeide. Zij gaven mij een ander etiketje. Het verbaasde mij vooral dat er bij deze, op het oog vrije denkers zulke strenge regels bestonden. Later kwam ik erachter dat er op heel veel, op het eerste gezicht vrije plekken, strenge regels bestaan. Toen ik begreep dat er zelfs in de kunstwereld strenge regels werden gehanteerd zakte mijn groeperingenbroek, die toch al behoorlijk op half zeven hing, voor eeuwig af. 

En met die levensbagage loop ik dus deze winter tegen dit porseleinen popje aan. In haar handen houdt ze een kop en schotel vast. De grote blauwe baret, artistiek als een fraaie toef op haar krullenkop. Ze kijkt vanachter een glazen vitrinedeurtje de winkel in, bij de dames van liefdadigheid. Het beeldje draagt een culottebroek, met een bijpassend kiel, wijd en comfortabel. Daaronder gestreepte kniekousen en kekke laarzen met gouden neus. 

Ontspannen voeten, bungelend over de rand. Ik val voor die berusting, het bitterzoet afwachten. Hoofd gekanteld en overdenkend: niets doen, gewoon afwachten, laten rusten, het gaat over.

De dame met de parelketting komt met de sleutel van de vitrinekast en overhandigt mij het beeldje. Terwijl ik het omdraai kijk ik naar de details op de rug. De krullen hangen als een matje over de schouders, vlak boven de plooitjes in het achterpand van het kieltje. Lekker volks, beetje Haags.

Aan de zijkant van het hoofd, bij haar slapen, zitten 2 gaatjes. Mooie strakke gaatjes, maar waar dienen ze voor? Onder haar zitvlak zit net zo’n mooi strak gaatje. Ze is onderdeel van een grotere geheel, maar geen idee in welke hoek ik het zoeken moet. Ze heeft iets prettigs onafhankelijks en is tegelijkertijd niet wars van kitsch. 

Ze zeggen dat er maar een paar thema’s zijn die je hele leven een rol spelen. Thema’s die altijd weer terugkomen. Stiekem is je dominante vader de innerlijke drijfveer om aan die master te beginnen. Als hij maar trots is. Of omdat moeder vooral dronken was zal je nu zelf de beste moeder van de wereld worden. Ja, dames en heren, erkenning is onze brandstof. 

En hoe zit dat dan met herkenning? Ik zag mijzelf immers terug toen ik het tuttige theepopje voor het eerst zag.

Of is dit nou precies het verhaaltje dat ik mijzelf vertel?