Paris en de palingen

Portret van een meisje – meneer GrintjesParis Hilton is op onze camping in Denemarken. Gewoon tegenover ons. In een gezellig Deens houten huisje. Kruipen in een tentje ging haar net iets te ver. Niet charmant genoeg, denk ik.

Samen met haar internationale voetballer, herkenbaar aan het kapsel met semi-nonchalante haarveeg en royaal getatoeëerde ledematen.

Paris huppelt doorlopend over de camping met haar aangenomen stiefdochter. Dat is het dochtertje van de voetballer uit een eerder huwelijk.

Voor iedere huppel-activiteit heeft Paris een ander kledingsetje meegenomen op vakantie. Paris mocht van de internationale voetballer alle tasjes meenemen die ze nodig dacht te hebben op vakantie. Daar doet de voetballer niet moeilijk over. Misschien kunnen andere mannen nog iets van hem leren?

Paris weet dat iedereen naar haar kijkt, maar dat vindt ze niet erg. Ze zet haar flaphoed recht, pruilt de lippen en huppelt verder. Ze loopt zo rechtop, er zit nergens een slordig bochtje of een imperfect bultje. Schier onmogelijk.

Drieëntachtig jaar eerder wordt het hierboven afgebeelde meisje gefotografeerd. Ze weet dat er naar haar wordt gekeken, al is ze pas een jaar of vijf. Haar hoofd een klein beetje scheef naar de fotograaf gericht. Mooie jaren ’30 krullen. De wangen en de lippen ingekleurd voor een blozend effect, lief en zoet.

Haar schoenen in dezelfde rode kleur als de geborduurde vogels op haar gele jurk. De witte kousen met ribbels om knie en enkel. Paling in de kousen hebben noemden ze dat vroeger.
De armen achter de rug rustend op een hek van een plantsoen. Naast haar een groene lantaarnpaal. Op de achtergrond een groen houten hek.

Rechtsonder een handtekening en datum:
Grintjes 16-09-1933
Achterop een klein stukje papieren tape met de volgende opdruk zichtbaar:
ijk 10 – Dordrecht
…Over het Korte Kromhout

Tellen we terug dan zal ze rond 1928 geboren zijn. Dan is ze nu 88 jaar. Op het moment dat meneer Grintjes door zijn knieën zakte voor de foto, was zij nog heerlijk onschuldig.
Hopelijk heeft ze zichzelf in haar leven ontdekt en minder gekozen voor conventies.

Och, daar komt onze Paris al weer aangehuppeld. Vergis ik mij nu of zit de hele microkosmos van campingbewoners een beetje verveeld te gapen?
Kom op, meidje, laat de controle eens lekker gaan. Kruip om te beginnen maar eens op je knieën in het allerkleinste tentje.

En koester onverschrokken opkomende palingen in je kousen.

Melancholische Perzische

Melancholische PerzischeEen gravure. De korrelige structuur van de foto is kenmerkend voor een zinkografie. Denk maar aan een zinken teil en je snapt het wollige.
Met als eerste opvallende detail de wulpse roze rok. Met gemak zie je de heupen en de rok deinen op het opzwepende oriëntaalse ritme. Een voluptueuze buik die een beetje scheef hangt, door de zwaartekracht van het nonchalante liggen. Waarom ook niet? Wie heeft tenslotte bedacht dat een buik strak moet zijn?

Om de enkel een bandje, waarschijnlijk van zilver met kleine belletjes die speels tinkelen als je beweegt. Lichtheid in een somber leven. Een arm ondersteunt het hoofd, een dikke vlecht langs de nek  gedrapeerd op het jasje. Bewust van de fotograaf. De blik introvert naar beneden. Willen verdwijnen van het beeld, dit in tegenstelling tot de buik. De andere arm in een pose die we als verleidelijk zouden kunnen zien, al werkt de gezichtsuitdrukking niet erg mee.

Het dikke tapijt voorzien van prachtige patronen en kleuren. Gouden knopen op het jasje en langs de minirok een gouden bandje. Royale bank om op te liggen. Linksboven de bank staat het cijfer 593 geschreven, in kleine blauwe letters.

Ooit lang geleden zag ik een expositie met foto’s van diverse harems. Nooit vergeet ik meer die fotobeelden van de eunuchs. Slaven die elders gecastreerd werden en de enige mannen die in een harem mochten verblijven. De triestheid zichtbaar in de ogen. Ik herinner mij het overnemen van zachte vrouwelijke trekken in hun gezicht en lichaam door wegkwijnende mannelijkheid. Het maakte veel indruk.
De rijkdom en luxe van de harem, helemaal niets in vergelijk met het wegnemen van de essentie van een mens. Intens wreed.

Dit deel, En perse types, costumes en Mœurs,  is een onderdeel van het boek Autour du monde Aquarelles Souvenir Voyages. Ca. 1900 uitgegeven door L.Boulanger, Boulevard Montpernasse. Dit boek moet tot de verbeelding hebben gesproken voor iedereen die toen de foto’s bekeek.

Bij een treurige meneer vond ik een stapeltje rommelige papiertjes. Op een daarvan stond deze melancholische Perzische uit een harem. De meneer hield zijn verkooppraatje maar ik was al op reis. Het drong niet tot mij door. Reizen met de restjes van dit boek op schoot door het zien van de kleding, de dagelijkse taferelen en de landschappen.

Ik ga er even tussenuit en hoop u weer terug te zien na de zomer.
En pak in de tussentijd uw allermooiste boek en leg het op uw schoot.

DIT BEN IK – een mens in zijn slaapkamer

Geïnspireerd op de fantastische rubriek DIT BEN IK – portret van een kind in zijn slaapkamer uit de Volkskrant. Met in de derde aflevering Sandra Barth.

Sandra Barth in haar slaapkamer

DIT BEN IK – portret van een mens in zijn slaapkamer

Geïnspireerd op de fantastische rubriek DIT BEN IK – portret van een kind in zijn slaapkamer uit de Volkskrant. Met in de tweede aflevering Linda van Drie.

 

Een blik op eten

Eva recepten blikjeEen wit metalen blikje met vrolijk gekleurde proviand zoals wortels, tomaten en flessen olie. In zwarte letters Eva recepten. Binnenin receptenkaartjes, gerubriceerd met tabbladen. Eva; het rijk der vrouwen, een tijdschrift dat verscheen tussen circa 1940 en 1972. En in dat rijk der vrouwen werd er gekookt.

Ik vind het trommeltje in een schap op een rommelmarkt, in de buitenlucht. Op weg naar huis bedenk ik dat als we over eten praten we nooit alleen over eten praten. We beschrijven mensen met wie we de maaltijd delen en vertellen over de sfeer aan tafel. Zitten we op een vaste plek, met z’n allen of alleen voor de tv? Worden er gesprekken gevoerd? Eten we ons bord leeg of gooien we de spruitjes weg als niemand kijkt?

Mijn eerste lessen over voedsel krijg ik van mijn ouders. Daarna, behoorlijk jong nog, ga ik zelf ook wat proberen. Met het groter worden van mijn wereld groeien mijn ervaringen  met voedsel. Ik leer en hoor van dingen waar ik niets van weet. Kookboeken maken vanaf mijn elfde jaar mijn knieën week.

Ik heb mensen echt horen zeggen dat ze niet om eten geven. “Als het kon nam ik een pilletje in plaats van eten”. Als ik dit hoor krijg ik rillingen over mijn rug en voel diep mededogen. Er zijn zoveel aspecten die te maken hebben met voedsel en de sociale gebeurtenissen eromheen. Bereiden, inkopen, sorteren, bedenken, bewerken, kneden, uitproberen, verwennen, aankleden. Is er dan niets, helemaal niets van je gading bij?

Ik heb eindeloze herinneringen aan eten. Van een kleine waggelende man die teveel at na jaren van een totalitair rantsoen, tot een door vlinders gevuld lichaam dat alleen van liefde al kon bestaan. In de heetste zomer die ik ooit meemaakte at ik buiten in een regenbui. Wij zaten op het terras. Iedereen ging naar binnen bij de eerste druppels, wij bleven zitten. De regen siste op onze verhitte lichamen. Wij kregen applaus van het hele restaurant. En de verkoelende regen kwam eindelijk, eindelijk met bakken naar beneden.
Nooit vergeet ik de big in de pot, bovenop de tegelkachel. In een ver en folkloristisch land, tussen de bergen, stond bovenop een tegelkachel een wasteil. Daarin lag het speenvarken voor aan het spit. De varkenspootjes koket uit de teil. Het hele gezelschap keek ongemakkelijk naar de hakjes, giechelden zenuwachtig en nam er nog maar een. De echte kerels stonden op en deden het vuile werk.

Mijn herinneringen voeren mij mee op reis, langs plaatsen waar ik was, door de tijd en langs mijn disgenoten. De ene gedachte roept de andere op. Opgeborgen, als in een blikje, komen ze er één voor één uit. Ik zou gulzig en onverzadigbaar uren kunnen doorgaan. De herinneringen aan eten: ik lust ze rauw.

Zweet

Het is donker. Ik kijk, maar zie niets anders dan mijn eigen hoofd weerspiegeld in de ruit van de trein. Met piepende remmen komt deze tot stilstand. Het klinkt hard en scherp in de leegte van het onzichtbare landschap.

Het is warm in de trein, ik probeer een raam te openen. Dat gaat niet.
Met andere reizigers sta ik in het gangpad. Mijn rugzak voor mij op de grond. Achter mijn rug is een compartiment waar reizigers een zitplek hebben en dus kunnen slapen.

OostblokstationIk ben in m’n eentje vanuit Oost-Berlijn op weg naar Praag. Op advies van mijn ouders laat ik mijn rugzak geen moment alleen. Zodat er niks uitgepikt wordt, denk ik. Mijn ouders denken volgens mij meer aan iets erbij stoppen.

De onbestemde plek waar de trein stil staat is de grenspost. Stil en verlaten. De felle lampen, duidelijk op de trein gericht, maken de omringende nacht nog donkerder.

De grenswachters dragen wapens op hun schouders. Gekleed in donkere uniformen lopen ze langs de trein. Sommigen hebben blaffende herdershonden aan een lijn. Het voelt alsof ik ben achtergelaten en overgegeven aan deze grenswachten. Ik heb nog nooit zoiets gezien.
Ze gebruiken spiegels op stokken om onder de trein te kijken.

Terwijl ik uit het raam kijk zie ik een heel dikke man. Hij heeft duidelijk de leiding. Met een aantal andere mannen stapt hij de trein binnen, vlakbij waar ik in het gangpad sta. Ik kan hun laarzen horen kraken. Naast mij snuffelt een hond aan bagage en reizigers.

Deze dikke man is de dictator van zijn grenspost. Ik kijk naar hem. Maar durf dat niet te lang te doen. Straks kijkt hij terug en ik wil beslist geen oogcontact maken. Intuïtief begrijp ik dat ik deze man niet moet dwarszitten of uitdagen.

Ineens staat hij voor mijn neus. Ik heb geen idee hoe ik mij moet gedragen. Hij flirt met mij, zit aan mijn blonde haar met zijn dikke worstvingers. Ik ruik zijn zware lichaamsgeur. Hij spreekt in een voor mij onbegrijpelijke taal. Met een grijns op zijn gezicht gaat hij nogmaals door mijn haar. Hij lacht en de anderen mannen lachen mee.

Dan vraagt hij mijn paspoort en kijkt mij indringend aan. Hij zegt iets tegen de anderen mannen. Ik krijg mijn paspoort terug.
Terwijl hij zich achter mij langs wurmt voel ik zijn vette lichaam tegen mij aandrukken. Hij blijft hangen en ademt zwaar in mijn nek. Even twijfel ik of ik het me verbeeld maar het duurt te lang. Het is overduidelijk. Ik durf niet te kijken, niet naar buiten, niet naar de man.

Als de man eindelijk weg is kijk ik weer naar mijn eigen spiegelbeeld. Ik schrik van mijn angstige blik en zucht.
Ik pak een elastiekje uit mijn rugzak en draai een knotje in mijn haar.

Noot: Deze column heb ik geschreven tijdens een schrijfcursus onder begeleiding van Annette Verspoor. Daarna heb ik hem ingezonden voor de OSKA columnwedstrijd 2015. Uit alle inzendingen werden er twintig geselecteerd voor het columnboekje 2015. Bovenstaande column was één van de geselecteerde columns.

DIT BEN IK. Portret van een mens in zijn slaapkamer.

Een nieuwe rubriek geïnspireerd op de fantastische rubriek Dit ben ik. Portret van een kind in zijn slaapkamer uit de Volkskrant. Met deze aflevering Ron Jagers.

Ron Jagers in zijn slaapkamer

 

 

Hazen in het ongewisse

Ook de hazen weten het niet

Daar sta je dan als haas. Vertwijfeld over welke richting nu de juiste is. Met de overgebleven paaseitjes in je tasjes. Niemand toont meer interesse, op die ene consument na die alle afgeprijsde eitjes in zijn winkelmandje propt, voor wat geluk. Wat moet je ermee?

Dan ben ik op weg naar een studiedag met het thema chaos en conflict. Alleen de titel geeft al voorpret. Ik herken mijn eigen gemoedstoestand.
Bij de incheckpaal van de ov-kaart stuur ik onbewust aan op een chaotische expeditie. Check in – check out, bij verschillende maatschappijen, in een onbegrijpelijk ritme. Het is volstrekt onduidelijk of er evenwicht bestaat tussen geleverde dienst – treinritje – en afgeboekte kosten.

Later zit ik in de kerk, in het oosten van het land. Hier begint mijn studiereis met als eerste programmaonderdeel de wake-up call. Knappe jongen die mij hier, in deze gemoedstoestand, wakker krijgt.

Als ik iemand op het podium “en nu allemaal” hoor roepen krijg ik een intern conflict. Ik doe niet mee. Ik dein in mijn eigen tempo en alleen wanneer ik vind dat er iets te deinen valt. Vanuit mijn opvoeding mag ik ook niet meedoen met de polonaise. Daar mis je niets aan. Ik kijk liever om me heen. En verbaas mij over het enthousiasme waarmee de meeste mensen zich zomaar in het massale storten. Mij lukt dit niet. Ik kan het niet. Ik begrijp het niet. Maar ook mijn eigen vastomlijnde ideeën begrijp ik niet. Waarom kom ik daar niet van los? Waarom doe ik niet gewoon mee?

De hippe mensen vertellen mij dat we druk bezig zijn onszelf te ontspullen. Lekker alles weggooien, even iets in je handen pakken en jezelf erbij de vraag stellen of je er gelukkig van wordt. Voel je niets dan mag het weg. Natuurlijk zit geluk niet in tuttige damesschoenen, een flitsende nieuwe telefoon of in de zoveelste tuthola van porselein. Dat had ik u ook wel kunnen vertellen. Alleen was die Japanse dame mij net voor.

Balans ervaren we als er tussen geest en materie evenwicht is leerde ik op mijn studiereisje. Dus tussen ideeën en spullen. Want als we doorslaan naar één kant gaat het mis. De milieucrisis is er omdat we doorslaan in het hebben van spullen. Bij het overdrijven in godsdienst ontstaat er conflict. Met de ander. Jij hoort niet bij ons. En dus moet jij dood of weg.

En na dat ontspullen nu allemaal in een klein-tiny-huisje wonen, roepen de trendwatchers. En huren in plaats van kopen. En de meeste van ons willen wel, maar kunnen niet. Een intern conflict.

Territoriumexpansiedrift is mij volstrekt niet vreemd. Ik heb in heel veel kleine huisjes gewoond. Verlangen naar een eenvoudig leven; dat is romantiek waar mijn hartje sneller van gaat kloppen. Maar pure romantiek krijgt bij Mevrouw R. pas echt goed vorm in royaal strekkende meters. Het voelt anders toch alsof ik de kaarsen uitblaas en in de verlichting van een treurige tl-lamp mijn buurman ga verleiden.

Praktisch gezien ben ik toch meer het type voor een magnifieke villa en een overschot aan rommelkamertjes. En alles weggeven – ik speel weleens met de gedachte. Maar ik kan het nog niet. Zou ik met minder ballast beter af zijn? Voorlopig twijfel ik nog.
De allerlaatste zin tijdens de studiedag doet mij goed: “je moet het vooral niet weten.

Thuisgekomen moest ik maar weer eens een stukje schrijven. Over rariteiten, chaos en conflict. Denk ik.
Ik kijk naar mijn haasjes en herken alweer mijn eigen gemoedstoestand.
Ook ik weet niets zeker.

Reshare Leger des Heils en Mevrouw R.

7 mei Reshare Store Groningen
13 mei Reshare Store Den Haag
21 mei Reshare Store Breda
28 mei Reshare Store Arnhem

Poster Workshops 7mei

Onbevangen in pastel

Haags meisjeEen lijst – wit met goud- daarin een pastelportret. Een pasteltekening maken zit op het randje van schilderen en tekenen. De zachte textuur van het materiaal en de intensiteit van de kleuren zijn te vergelijken met verf. De handeling heeft fysiek meer connectie met tekenen.

Achterop een sticker van L.P. Oudewaal & Zn. Kazernestraat 114a Den Haag. Een kunsthandelaar in lijsten en restauratie van schilderstukken.

Een Haags meisje. Jaren zestig, aan het kapseltje te zien. Te jong om al echt een vrouw te zijn. Misschien was het daarom het juiste moment om haar voor eeuwig te vangen. De verandering is nog niet echt zichtbaar maar toch is er al iets gaande. Nu of nooit, moeten haar ouders hebben gedacht. Zij weten immers dat het kinderlijke verdwijnt en nooit meer terugkomt.

Het meisje zelf wacht af. Ze kijkt naar ons, geen benul van welke grote veranderingen er in haar lichaam en geest worden voorbereid. En welke sociale veranderingen dit met zich zal meebrengen. Het gestreepje truitje als metafoor. Precies op de grens van een vrolijke onschuldig kindertrui en een klassiek marine-item voor een jongedame.

De transformatie van kind naar vrouw. Zelf heeft ze er geen zinnig woord over te zeggen. Misschien merkt ze wel iets, al is het moeilijk om precies te benoemen wat er dan anders is. Misschien mag ze ineens dingen die ze eerst niet mocht. Of worden haar vragen gesteld die ze nog nooit heeft gehoord. Mag ze plaatsnemen aan de tafel van de volwassenen en niet meer bij de andere kinderen. Daar zit iets van het merkbare.

Als kind ben je weinig bewust van de fysieke verschillen tussen jezelf en de andere kinderen. Als je klein bent en op straat een onbekend kind ontmoet zegt je moeder: “Kijk, nog een kindje.” Vervolgens loop je op dat kindje af en draai je er een rondje omheen. Je trekt het andere kindje even aan zijn oor, om te zien of dit eraan vastzit. Welke geslacht dit kindje heeft doet er niet toe. Het is net als jijzelf gewoon een kindje. De wereld bestaat uit kindjes en papa’s en mama’s. Heel eenvoudig.

Als je groeit wordt je bewust van de verschillen met de anderen. Iemand anders in de klas heeft dikker haar, is groter, heeft al borsten of kan zich schijnbaar zelfbewust presenteren. Als kind zou je ongedwongen op iedereen afstappen maar zodra de puberteit zich voordoet verander je in een schuchtere puber, met weinig zelfvertrouwen. En dat kom je dan tegen in alle relaties die je aangaat als frisse tiener.

Stel je voor dat we ons hele leven aan zo’n introductie zouden blijven vasthouden: “Kijk, nog een oude van dagen” in het verzorgingshuis, of wanneer je een nieuwe aantrekkelijke verkering ontmoet: ”Kijk, ik ben ook een mens. Zullen we verkering nemen?” En je drukt jouw toekomstige partner even speels op de neus.

Als je schattig genoeg bent kom je er misschien mee weg. Maar ja, wie is er nog schattig?