Een onthecht folkloremeisje

Hoofddoek, strak langs twee blozende rode wangen. Alpenweiden. Bloemenpracht, onder de hand, op schoot. Een topje met grijze stof en rood-groen lintje erlangs.
Heel gebruikelijk, voor een folklorepakje als dit. Rok met een onduidelijk patroon en een wit schortje voor. Blauwe ogen en blond haar.

Je ruikt het Schwarzbrot gewoon, met Schinken, op een Holzbrett. Senf, Meerrettich und Gurken staan ernaast. Een dikke bierpul erbij, zum Wohl!

Het is linksonder gesigneerd door Hedwig von Schlieben, een Duitse kunstenares, geboren rond 1882. Zij maakte vooral portretten van meisjes. Ze werkte in pastel en olieverf. En maakte daarnaast veel tekeningen.

In mijn huis, waar de boerinnen aller landen zich hartstochtelijk verenigen, is dit folkloremeisje een bijzonder exemplaar.
Het voelt soms, als ik ernaar kijk, of Berchtesgaden net buiten beeld valt. Niet zichtbaar maar achter de berg staat het kwaad. Grimmig, klaar om toe te slaan.

Op andere momenten is zij gewoon een onschuldige blonde Mädel, een Tochter van de Förster en woont ze diep in het Wald. Het is de verheerlijking van de Heimat, de plattelandsidylle. Waar het leven goed was. Waar we vandaan zijn gekomen en waar weer naar terug verlangen. Heimat en heimwee liggen als een getrouwd echtpaar strak naast elkaar in bed.

De eerste keer dat ik haar zag moest ik haar laten gaan. Ze was boven budget. De hele nacht heb ik liggen woelen. Ze liet mij niet meer los. Nachtmerries waarin ik, met haar onder mijn arm, achterna werd gezeten door een Boze Wolf uit Oostenrijk. Brrr. Als ik erover nadenk krijg ik nog koude rillingen.

De volgende dag ben ik teruggegaan. Direct na het ontbijt. Aangekomen heb ik flink moeten onderhandelen; gedurende mijn onrustige nacht was de koers gestegen en had deze deerne een nog hogere prijs gekregen. Met vastberaden overtuigingskracht kon de prijs in ieder geval worden teruggebracht tot het eerdere bedrag. Een rib uit mijn lijf. De rest van de week had ik alleen een houtje om op te bijten. Maar de buit was binnen.

Nu was ze van mij. Heel lang hing zij in de keuken, tussen de andere meiden. In de magnifieke villa heeft zij nog niet echt een vaste plek. Ze is nog op zoek, als een dolende ziel. Naar een landschap dat ze kent. Ze zoekt houvast. Hier is toch echt alles anders. Dat zorgt voor ongemakkelijke gevoelens en ze wordt verteerd door het verlangen naar elders.

Bestaat er tegenwoordig eigenlijk nog wel heimwee of is de wereld daarvoor te klein geworden? Zal zij kunnen aarden of zal ze zich voor immer ontworteld blijven voelen? Liggen heimat en heimwee nog wel samen in bed?

Schrijf een reactie

*