Een blik op eten

Eva recepten blikjeEen wit metalen blikje met vrolijk gekleurde proviand zoals wortels, tomaten en flessen olie. In zwarte letters Eva recepten. Binnenin receptenkaartjes, gerubriceerd met tabbladen. Eva; het rijk der vrouwen, een tijdschrift dat verscheen tussen circa 1940 en 1972. En in dat rijk der vrouwen werd er gekookt.

Ik vind het trommeltje in een schap op een rommelmarkt, in de buitenlucht. Op weg naar huis bedenk ik dat als we over eten praten we nooit alleen over eten praten. We beschrijven mensen met wie we de maaltijd delen en vertellen over de sfeer aan tafel. Zitten we op een vaste plek, met z’n allen of alleen voor de tv? Worden er gesprekken gevoerd? Eten we ons bord leeg of gooien we de spruitjes weg als niemand kijkt?

Mijn eerste lessen over voedsel krijg ik van mijn ouders. Daarna, behoorlijk jong nog, ga ik zelf ook wat proberen. Met het groter worden van mijn wereld groeien mijn ervaringen  met voedsel. Ik leer en hoor van dingen waar ik niets van weet. Kookboeken maken vanaf mijn elfde jaar mijn knieën week.

Ik heb mensen echt horen zeggen dat ze niet om eten geven. “Als het kon nam ik een pilletje in plaats van eten”. Als ik dit hoor krijg ik rillingen over mijn rug en voel diep mededogen. Er zijn zoveel aspecten die te maken hebben met voedsel en de sociale gebeurtenissen eromheen. Bereiden, inkopen, sorteren, bedenken, bewerken, kneden, uitproberen, verwennen, aankleden. Is er dan niets, helemaal niets van je gading bij?

Ik heb eindeloze herinneringen aan eten. Van een kleine waggelende man die teveel at na jaren van een totalitair rantsoen, tot een door vlinders gevuld lichaam dat alleen van liefde al kon bestaan. In de heetste zomer die ik ooit meemaakte at ik buiten in een regenbui. Wij zaten op het terras. Iedereen ging naar binnen bij de eerste druppels, wij bleven zitten. De regen siste op onze verhitte lichamen. Wij kregen applaus van het hele restaurant. En de verkoelende regen kwam eindelijk, eindelijk met bakken naar beneden.
Nooit vergeet ik de big in de pot, bovenop de tegelkachel. In een ver en folkloristisch land, tussen de bergen, stond bovenop een tegelkachel een wasteil. Daarin lag het speenvarken voor aan het spit. De varkenspootjes koket uit de teil. Het hele gezelschap keek ongemakkelijk naar de hakjes, giechelden zenuwachtig en nam er nog maar een. De echte kerels stonden op en deden het vuile werk.

Mijn herinneringen voeren mij mee op reis, langs plaatsen waar ik was, door de tijd en langs mijn disgenoten. De ene gedachte roept de andere op. Opgeborgen, als in een blikje, komen ze er één voor één uit. Ik zou gulzig en onverzadigbaar uren kunnen doorgaan. De herinneringen aan eten: ik lust ze rauw.

Schrijf een reactie

*