Berlijnse vrienden

Berlijnse vriendenDeze twee neem ik mee. Ze staan op een kraam op een rommelmarkt in Berlijn. Het is die dag eindelijk mooi weer. Wat was het de dagen ervoor koud geweest. Er was zelfs nachtvorst.

Ik weet dat mijn nieuwe blauwe vriend eigenlijk verkering heeft. Ik zie het stel een dag eerder samen. Hij in het blauw, zij in het rood gekleed. Ze kunnen elkaar bij de magneten grijpen, aan de zijkant van hun lichaam. Ze staan samen in een supersjiek vitrinekastje bij scharrelaars die waanzinnig zijn geworden van hippe ijdelheid. Ik gil hard bij het horen van de prijs. Ik kom dit magneetstel nog wel eens tegen, denk ik. Ik laat de scharrelaars verbaasd achter en fietst vlug weg. Over de stoep want dat mag gewoon in Berlijn. Ik houd heel erg van Berlijn.

En de dag erna kijk ik hem dus weer aan. Staat hij op die tafel op dat pleintje. Lekker goedkoop. Ik houd van koopjes.

Ik vind het een beetje zielig voor hem om hem zo alleenig te exporteren en besluit stante pede een vriend voor hem te zoeken. Ondanks zijn tekortkomingen is hij een parmantige verschijning. Kijk maar eens hoe hij de handen stevig op de ietwat verlaagde dijen plaatst. Flinke vent die er nu nog langs komt.

Zijn mond doet mij denken aan een recht bed. Wat fijn denk ik, een recht bed. Ik houd heel erg van een recht bed.

Want ’s nachts, daar in Berlijn, lig ik in in het warme bed van een Rus. In zijn bed is aan iedere kant een kuil. Iedere nacht worden de kuilen dieper en dieper. De Rus zelf is nergens te vinden. Ligt hij soms de hele week al diep verzonken in die kuil, gaat als een flits door mijn hoofd? Maar dat is natuurlijk onzin want het gaat mij niet om deze Rus in dit bed. Het gaat mij om zijn huis. Via Airbnb gehuurd. Op een mooie locatie, ergens op een typisch Berlijns Hinterhof. Lekker rustig. Prachtige vloer van dikke oude planken. En een oude wereldbol, net als thuis. Ik kan lekker uit het raam hangen en koekeloeren naar de mensheid. Een echte Berlijnse activiteit, die ik graag beoefen. Het is een beetje volks, maar dat geeft niks. Ik houd van volks.

Na grondig voorwerk hoopte ik in een echt woonhuis van iemand te mogen verblijven. Maar in dit huis kan niemand echt wonen. Toch ingetrapt, een commerciële verhuurder. Waar laat je immers je rotzooi? Ik heb als ik gewoon een dagje eenvoudig leef al weer een schat aan stapeltjes en hoopjes. Afwas, kleding, afval, tijdschriften, kranten, papiertjes. En maar drie messen in het laatje? Ik geloof er niks van. Jammer, want ik vind het delen van Airbnb een mooi gegeven. Zodra mensen doorkrijgen dat je er goed geld mee kan verdienen raken we de zachte kant kwijt, daar waar het om begonnen is. En ik houd zo van de zachte kant. De zachte kant is de echte kracht. Alleen weten een hoop mensen dat niet. Daarom schrijf ik het graag op. Maar u wist het al, toch?

In mijn Berlijnse straat word ik voor een week vrienden met de eigenaresse van het ontbijtkaffee. Maar ook met de oudste bezoekster: Renate Astrid. Een oude dame uit Jena die op geen enkele andere plek meer wil wonen. Berlijn is haar thuis. En ik word vrienden met de Vietnamees, een eindje verderop. Hij kan er wat van, koken. En met de Sardijnse eigenaar van het tentje aan het eind van de straat. Al serveert hij, squisito uitroepend, alcoholisch dropwater terwijl ik om een glaasje Limoncello vroeg. Maar ik heb hem vergeven. Zeker wanneer de huiszanger de mooiste serenade inzet, begeleid op gitaar. Ik neem een ferme slok en weg is het goedje. Ik houd van goede Limoncello.

Op de rommelmarkt staan ze, dit stel, notabene op dezelfde tafel. Ook zo kordaat, dit folkloremeidje. Gekleed in Dirndl, met bloempatroon op de sloof. Opgestroopte mouwen, lekker poetsen! Zij wordt zijn exportbruid. Het haar strak in een knotje.

Ontelbare keren was ik al in Berlijn. Toch ontdek ik steeds weer nieuwe dingen. Het mooie van de stad goed kennen is dat ik niet meer als toerist ergens naar toe moet. In Berlijn maak ik mij geen enkele zorgen of ik iets mis. Het allerliefst zwerf ik gewoon een beetje door de straten, zonder echt doel. Ik kijk naar alle toevallige passanten.

Ik houd gewoon van vinden.

Koddige calorieënlap

Aanmoedigen kun je zien als bewijs van hartelijkheid en gastvrijheid. Maar opdringen als aanmoediger, daar kun je beter van wegblijven. “Toe… neem nog een schuimgebakje. Ach, kom op nou. Eentje nog?! Ik heb ze speciaal voor jullie gekocht, dus toe. Neem gerust, hoor.” Als verlegen gast blijf je dan bij zulke aanmoedigingen eindeloos taartjes eten. Tja, en al die taartjes moet je na dat bezoek weer zien kwijt te raken.

Ziehier een situatie, geenszins ondenkbaar in het alledaagse leven, waarbij het hieronder afgebeelde koddige keukenlinnen meteen bestaansrecht heeft.

Volgens dit calorieënlapje kost het allemaal even veel energie: vijf minuten praten, lezen, handwerken of nadenken. Ik twijfel. Zijn dat wel even zware klusjes? Van praten en lezen geloof ik het wel. Tenzij je hard en druk praat, maar dan lijkt het misschien meer op schreeuwen. In deze positieve wereld van het verbruik der calorieën uit vervlogen tijden doet men echter niet aan schreeuwen.

Alles wat je teveel eet moet er af – of het blijft ergens aan je lichaam hangen. Wáár dat is berust op toeval, geluk en erfelijke omstandigheden.U kunt natuurlijk best de natuur, uw lijf, een beetje helpen. Bijvoorbeeld door te bewegen. Wat dacht u van dansen? Door vijf minuten te dansen verbruikt u 20 calorieën. Een crème taartje is 400 calorieën. Dus om dat taartje weer kwijt te raken moet u anderhalf uur dansen.

U kunt ook gaan sporten om calorieën te verbruiken. Fietsen, skiën, wandelen, zwemmen, judo, hardlopen, gewichtheffen, gymnastiek of tennissen. In een gezellige sportclub of helemaal in je eentje. Persoonlijk heb ik het niet zo op sporten met één balletje en dan allemaal in hetzelfde pakje over een veldje rennen. Maar trek u daar maar niets van aan. Doe gewoon wat u zelf leuk vind. Dat doe ik ook.

De calorieënlap is natuurlijk je reinste kringloopsentiment. Optimisme en vrolijkheid alom. Waar vinden we dat nog? Tegenwoordig is healthy en lijnen serious business. De een beweert dit en de ander bezweert dat. Het gaat alleen maar over perfectie en maakbaarheid. Ik houd gewoon niet van die types die mij vertellen hoe het moet. Ik vertel ook niemand hoe het moet. Opdringen versus aanmoedigen, een dunne scheidslijn.

Mevrouw Bakker stopt alles in de blender. Linda de Mol roept alvast dat ze 80 kg weegt. Ben ik de enige die vals denkt: laten we dat een beetje overdrijven, want dan zit ik altijd goed? En als we die andere types moeten geloven dan is werken aan je Killerbody ook niet bepaald het toppunt van vrolijkheid. Alleen die naam al. Dodelijk vermoeiend.

Op mijn lapje zien ze tenminste nog een voordeel van het uurtje wakker liggen: u verbruikt 77 calorieën. Of lekker een half uur niets doen levert een verbruik op van 50 calorieën. Ook door als verkoopster werkzaam te zijn kunt u het verbruik van calorieën gaan tellen. Net als na vijf minuten licht administratief werk. Maar over dat soort klusjes hoor je die mevrouwen van de slankelijnbusiness niet.

Terug naar onze gastvrouw. Heeft u haar traktaties toch niet kunnen weerstaan en gaat u tonnetjerond naar huis? Zoek een vrolijke, passende activiteit op dit lapje en de éclairs verdwijnen als sneeuw voor de zon. En als dat niet lukt dan stoppen we gewoon boerenkoolchips met een eierkoek in de blender. Daar schijn je echt alles superstrak mee te kunnen oplossen.

Koddig calorieënlapje

Poedel Suzette met alpino-toef

Suzette de poedel van AvonZie hier Suzette een poedel als parfum-flacon, uit de collectie van Avon. Voorpootjes braaf gevouwen voor de borst. Voor wie dat niet weet: Avon is een Amerikaans cosmeticamerk en werkt sinds jaar en dag met consulentes. Het merk bestaat al ruim 130 jaar. De oprichter D. H. McConnell, een Ierse immigrant, wilde vrouwen door ze als consulenten te laten werken economische onafhankelijkheid bieden. Revolutionair in 1886, om als vrouw vanuit huis cosmetica te verkopen aan je kennissen en buren. En dan te bedenken dat in 2017 economische onafhankelijkheid nog steeds niet gender-neutraal is.

De consulentes van Avon komen gezellig bij de mensen thuis. Dat doe ik ook graag, mensen observeren in hun natuurlijke habitat. Maar eindeloos cosmetisch leuteren en een beetje gaan zitten smeren in de beautybusiness, daar voel ik dan weer niks voor.

Toch zat ik ooit bij een meisje thuis aan de keukentafel vol make-up. Iedere dag stond het wichtje twee uur eerder op vanwege haar ochtendritueel. Ik kwam er ook speciaal vroeg voor uit de veren. Vooral gedreven door nieuwsgierigheid, omdat ik zelf een heel andere smeertechniek hanteerde in de ochtend. In die twee uur ging zij aan de slag om een soort geschilderde isoleerlaag van make-up aan te brengen. Ik kreeg ernstig het vermoeden dat het plamuren haar tegen wrede invloeden van buitenaf moest beschermen. Dit terwijl het meisje vrolijk smerend uit een enorm arsenaal aan potjes en flesjes, tegenover mij zat. Het was aandoenlijk om te zien. Ze was behendig, maar dat kan ook niet anders. Iedere dag opnieuw zorgt voor souplesse. Het resultaat werd een ‘millefeuille’ van laagjes crème, kleur, poeder, zalf, likjes en toefjes. Onbewust smeerde ze iedere dag haar naturelle ik dieper weg in de huid. Gewoon ermee stoppen was niet meer mogelijk.

De scene speelde zich af diep in de bossen in Brabant, daar kom ik echt nooit meer. Heel soms denk ik nog wel eens aan dit meisje en vraag mij af hoe het met haar gaat. Ik weet dat we tijdens het maquilleren een gesprek hadden over het naakte gezicht tonen aan toekomstige verkeringen. Het arme kind was er niet rijp voor. Hopelijk durft ze nu wel poedelnaakt met een frisse verkering in haar gladgestreken bedje te liggen.

Het is lang geleden, jaren tachtig. Volgens mij konden we er toen collectief wel wat van, van smeren bedoel ik. Je ziet ze nog wel eens lopen, die oude jaren tachtig-meisjes, die zijn blijven hangen in hun op jonge leeftijd aangeleerde smeertechniek.

Terug naar Suzette, onze poedel. Dit flesje werd verkocht rond de jaren zestig van de vorige eeuw. Heel toevallig waren poedels net niet aan te slepen. Kijk maar hier op dit pinterest-moodboard. Als broches, op kleding en in armen van glamoureuze filmsterren, op behang, op tasjes, bij Barbie, op tv, in tijdschriften. Iedereen een poedelminnaar. De poedel werd een mode-object met outfits passend of contrasterend bij het pakje van het baasje.

Er is iets geks aan de hand met de poedel. Het zijn rare jongens, een beetje fout. Ze hebben iets volks en hysterisch aan hun kont hangen. Die grote koningspoedels zijn net genetisch gemanipuleerde beesten. Ze lijken wel nep. Hooghartig lopen ze rond op hoge poten, een beetje uit proportie. Tekenfilm-personages die in de echte wereld zijn terechtgekomen. En dan dat rare kapsel, die maffe haardracht met die bollen. Of zoals bij Suzette een rare alpino-toef bovenop het hoofd. Allemaal de schuld van het baasje. Wat mij betreft mogen soortgenoten alleen soortgenoten verfraaien. Dus hup, aan de slag als Avon consulente. Lekker cosmetisch adviseren en beginnen met kennissen en buren!

In de pas

Militairen muzikantenGroepen mensen die zichtbaar een verzameling zijn krijgen van mij altijd extra aandacht. Eerst zoek ik naar overeenkomsten en van daaruit ga ik door naar de verschillen. Verschillen kunnen groot of klein zijn. Heb ik nog meer tijd dan zoek ik binnen de verschillen weer naar overeenkomsten.
Al dat gekoekeloer komt voort uit twee van mijn oer-fascinaties: eenlingen en verzamelingen. Wie zijn de volgers, wie is de leider? En is dit echt zo of denkt diegene het alleen maar zelf?

Gisteren zag ik een mooie verzameling in de vorm van een vader en zijn frisse tienerdochter. Beide hadden dezelfde doorgezakte houding, blijkbaar sterk in de genen aanwezig. Ze liepen als een treintje door de ruimte achter elkaar aan, allebei gekleed in een slobberige spijkerbroek. Ze bleven staan voor een tafel en keken opzij door alleen het hoofd te draaien. Ze zagen iets waar ze het fijne nog niet helemaal van hadden begrepen. Bij beide viel de mond open en zakte de kin naar beneden. Daar bleef hij hangen. Een identieke blik in hun ogen. Op zoek naar houvast. Ze waren alleen in het grote geheel en ze begrepen het niet. Ik vond het een cadeautje. Ik kwam net gebukt vanachter een plant vandaan en zag de scene voor mijn neus zich afspelen. Ademloos keek ik ze na. Het leek wel een dans.

De hier afgebeelde verzameling muzikale strijdkrachten is een illustratie van een bij elkaar horend gezelschap. Denk maar aan een fanfare, iedereen gekleed in hetzelfde uniform. Door het marcheren worden de individuele muzikanten opgeslokt in een homogene paradeer-machine die het orkest is. Tijdens het spelen zullen ze in hetzelfde ritme de benen optrekken, alsof ze één lichaam zijn geworden. Hoe doen ze dat toch? In een fitnessklasje is het al zo moeilijk om met de hele klas mee te springen in het gewenste ritme. Oefening baart kunst, natuurlijk. Ooit koesterde ik vurige verlangens om gezamenlijk synchroon te kunnen hopsen in een fitnessklasje. Voor ik het juiste ritme ook maar had kunnen vinden hield ik het alweer voor gezien. Toch liever iets sportiefs in mijn eentje, in mijn eigen ritme.

Dus dat orkest moet wel weten op welke manier en waarheen ze marcheren. De mannen en vrouwen kunnen niet zomaar hun eigen zin doen. De frontman, de tambour-maître, loopt zwaaiend met een stok voor de muziek uit. Hij is een soort majorette-dirigent heb ik mij laten vertellen. Hij zwaait en zwiert het ritme en de te marcheren richting de lucht in, met behulp van zijn mace. Dat is die stok met sierknots. En soms roept hij een bevel.

Wanneer u aan de kant van de weg staat tijdens een taptoe en er komt een fanfare, harmonie of drumband aan dan ziet u vast wel een toeschouwer die van pure vreugde op het ritme gaat marcheren of anderszins bewegen. Daar kan deze persoon dus niets aan doen, het is het effect van de muziek op lichaam en geest. Het zit in onze genen om op marsmuziek te marcheren. Vroeger gebruikte men de muziek om de soldaten op te zwepen.

Welbeschouwd is de hele wereld een doldwaze taptoe vol verzamelingen. Bijna iedereen maakt wel ergens deel van uit. En anders ga je lekker koekeloeren vanaf de zijkant. Hoor je bij de verzameling eenlingen.

Statusverhogende pubervriend

Pubers in Soester NatuurbadOp de foto een groep van dertien pubermeisjes. Ze duiken vanaf de lange zijde in het bad. Niet via de startblokken. Het startschot schijnt nog niet tot iedereen te zijn doorgedrongen. De meisjes vooraan staan nog te wachten. De derde van voren lijkt zich te realiseren dat ze iets heeft gemist. Verrek; uit haar ooghoeken ziet ze de meisjes links van haar al gaan. De eerste twee van links hebben nog geen idee. Achteraan mooi te zien hoe de afzet wordt ingezet voor een gracieuze sprong. Let op het zwemmutsje van het eerste meisje, als enige een bandje onder de kin. De schouders van frisse tiener nummer twee staan krampachtig naar voren.

Waarschijnlijk is deze foto gemaakt in het Soester Natuurbad. Een werkverschaffingsproject: werklozen werden door de overheid verplicht ongeschoold werk te verrichten. Omstreden vanwege uitbuiting. Mensen moesten met eenvoudig materiaal zwaar fysiek werk verrichten en kregen slecht betaald. Het Soester Natuurbad is in 1933 gebouwd en was open tot 1990. Achterop de foto een stempel van Archifoto Amersfoort, een fotopersbureau.

Bij het zien van de foto denk ik aan mijn eigen minibadje in dit kleine ministadje. Daar gaan alle zzp’ers met strak opgetrokken schouders op vrijdagmiddag voor ontspanning lunchzwemmen. Ze dobberen normaal gesproken rustig in het water en zwemmen hun baantjes. Niks aan de hand.
Maar op die dag staan er zeven bussen voor het zwembad. Uit de bussen zijn driehonderd pubers gekropen. Driehonderd pubers die niet willen worden uitgesloten en daarom allemaal hetzelfde doen: elkaar uitlachen, stompen en achterna zitten.

Driehonderd pubers in mijn zwembadje? Ik zet mijn fiets neer en visualiseer alvast welk drama mij de komende vijfenveertig minuten te wachten staat, onder het mom van vrolijke puberpret. Ik grom zwaar, het enige wat ik kan doen is mij visueel en auditief zo goed mogelijk proberen af te sluiten.

Na het omkleden kom ik het zwembad binnen en zie overal drukke pubers, die allemaal tegelijkertijd in het water lijken te springen. Het water klotst tegen de wanden. Met driehonderd adolescenten in het bad blijven al die hardwerkende zzp-schouders strak staan. Ik zie verbeten blikken en krampachtige zwemtechnieken.

Meisjes gillen, dat hoort allemaal bij het doldwaze puberspel. Ze rennen weg voor jongetjes. Niet echt hard, want ze willen juist graag dat jongens hen in het water gooien. Jongens willen laten zien wat ze kunnen en durven. Meisjes gluren tussen de oogharen naar jongens. Als ze niet meer achterna gezeten worden friemelen ze nonchalant aan het haar.
Zelfbewuste puber-meisjes zijn er ook. Deze paradeerden op lange dunne beentjes langs de badrand. De armen strak voor het lichaam gevouwen. Onzekere pubers verbergen het lichaam liever onder water, zodat niemand ziet hoe ze langzaam transformeren.

Oorverdovende kabaal, overal scene’s van glibberende tieners in alle stadia van metamorfose. Bikini’s en zwembroeken in alle soorten en maten. Huilend zwem ik mijn baantjes. Ik vraag mijn geld terug aan de badmeester. Maar hij kan niet praten, is er zelf ook kapot van.

Een week later ga ik weer naar het zwembad. Ik gluur voorzichtig om het hoekje of er geen bus staat. Ik vraag aan de kassa of ze het zeker weten. Ze zullen toch niet later komen?

Het was eenmalig. Opgelucht haal ik adem.

Pubers, ach ja, ze doen enorm stoer maar zijn als de dood buiten de boot te vallen. Pubers vinden alles wat anders is stom. Pubers zijn hongerig naar sociale beloning. Niet van een ouder of een autoriteit. Ouders bezorgen pubers immers alleen maar schaamte. Nee, ze willen een sociale beloning van een statusverhogende pubervriend. Maar in feite zijn pubers in hun diepste ziel gewoon de eenheidsworstjes onder de mensheid. En dat alles is heel vermoeiend.

Daarom alle lof voor het pubermeisje met het kinbandje. Zij is de puber die het anders doet. Zij zou om die reden de allerbeste statusverhogende pubervriend moeten zijn.

Er was eens Terlenka

Terlenka geruite kinderjurkNooit eerder vond ik een geruite kinderjurk zoals deze. Met het kaartje er nog aan. Niet gedragen dus. Van Terlenka: sterk, kreukherstellend, wasbaar en plooihoudend. Terlenka is de merknaam van een synthetische stof uit vervlogen tijden. Terlenka is een prachtig woord.

Ik zeg er, om mijzelf te plezieren, altijd broekje achteraan: Terlenka broekje. En denk dan aan een te korte, te wijde en te beige broek voor een te klein meneertje. Die dan een beetje zenuwachtig loopt te ijsberen in de supermarkt. Met een oud versleten linnen tasje dat hij om zijn hoogopgetrokken schoudertjes draagt. Mijn dag kan dan niet meer stuk.

Wat er zou gebeuren wanneer ik een kind dit jurkje aantrek weet ik niet. Kinderen aankleden, ik heb er geen verstand van. Het kind zelf zal duidelijk zijn. Ja, ik wil die jurk of nee, geen sprake van. En dan volgt er wel of niet een aankleed-worsteling.

Maar de omgeving? Wie weet houden de mensen mij voor een kreng van een stiefmoeder. Het zou ze ook kunnen ontroeren omdat het kind lijkt op een Engelse kostschoolpeuter. Of doet denken aan een ver achternichtje van de familie Von Trapp.

Ik zie wel eens moeders die ik ervan verdenk dat zij hun kinderen decoreren in plaats van aankleden. Net als mensen die een roze poedel kopen omdat deze zo mooi in het interieur past. Een afhankelijk levend wezen als stylingobject. Ik geloof niet in zulke sprookjes.

Nee, dan geruite Terlenka jurkjes. Leer uw kleuter expliciet het woord Terlenka aan, bij weigering of adoratie van het kledingstuk. En vergeet niet: herhalen is de kracht van de boodschap. Dus drie keer achter elkaar Terlenka roepen naar je kleine peuter. Dan komt het met de verbeelding van dat lieve kind wel goed. Met dank aan de taal.

En nooit meer onschuldige kinderen of huisdieren decoreren. Trouwens, kleine meneertjes uitlachen mag eigenlijk ook niet.

Paris en de palingen

Portret van een meisje – meneer GrintjesParis Hilton is op onze camping in Denemarken. Gewoon tegenover ons. In een gezellig Deens houten huisje. Kruipen in een tentje ging haar net iets te ver. Niet charmant genoeg, denk ik.

Samen met haar internationale voetballer, herkenbaar aan het kapsel met semi-nonchalante haarveeg en royaal getatoeëerde ledematen.

Paris huppelt doorlopend over de camping met haar aangenomen stiefdochter. Dat is het dochtertje van de voetballer uit een eerder huwelijk.

Voor iedere huppel-activiteit heeft Paris een ander kledingsetje meegenomen op vakantie. Paris mocht van de internationale voetballer alle tasjes meenemen die ze nodig dacht te hebben op vakantie. Daar doet de voetballer niet moeilijk over. Misschien kunnen andere mannen nog iets van hem leren?

Paris weet dat iedereen naar haar kijkt, maar dat vindt ze niet erg. Ze zet haar flaphoed recht, pruilt de lippen en huppelt verder. Ze loopt zo rechtop, er zit nergens een slordig bochtje of een imperfect bultje. Schier onmogelijk.

Drieëntachtig jaar eerder wordt het hierboven afgebeelde meisje gefotografeerd. Ze weet dat er naar haar wordt gekeken, al is ze pas een jaar of vijf. Haar hoofd een klein beetje scheef naar de fotograaf gericht. Mooie jaren ’30 krullen. De wangen en de lippen ingekleurd voor een blozend effect, lief en zoet.

Haar schoenen in dezelfde rode kleur als de geborduurde vogels op haar gele jurk. De witte kousen met ribbels om knie en enkel. Paling in de kousen hebben noemden ze dat vroeger.
De armen achter de rug rustend op een hek van een plantsoen. Naast haar een groene lantaarnpaal. Op de achtergrond een groen houten hek.

Rechtsonder een handtekening en datum:
Grintjes 16-09-1933
Achterop een klein stukje papieren tape met de volgende opdruk zichtbaar:
ijk 10 – Dordrecht
…Over het Korte Kromhout

Tellen we terug dan zal ze rond 1928 geboren zijn. Dan is ze nu 88 jaar. Op het moment dat meneer Grintjes door zijn knieën zakte voor de foto, was zij nog heerlijk onschuldig.
Hopelijk heeft ze zichzelf in haar leven ontdekt en minder gekozen voor conventies.

Och, daar komt onze Paris al weer aangehuppeld. Vergis ik mij nu of zit de hele microkosmos van campingbewoners een beetje verveeld te gapen?
Kom op, meidje, laat de controle eens lekker gaan. Kruip om te beginnen maar eens op je knieën in het allerkleinste tentje.

En koester onverschrokken opkomende palingen in je kousen.

Melancholische Perzische

Melancholische PerzischeEen gravure. De korrelige structuur van de foto is kenmerkend voor een zinkografie. Denk maar aan een zinken teil en je snapt het wollige.
Met als eerste opvallende detail de wulpse roze rok. Met gemak zie je de heupen en de rok deinen op het opzwepende oriëntaalse ritme. Een voluptueuze buik die een beetje scheef hangt, door de zwaartekracht van het nonchalante liggen. Waarom ook niet? Wie heeft tenslotte bedacht dat een buik strak moet zijn?

Om de enkel een bandje, waarschijnlijk van zilver met kleine belletjes die speels tinkelen als je beweegt. Lichtheid in een somber leven. Een arm ondersteunt het hoofd, een dikke vlecht langs de nek  gedrapeerd op het jasje. Bewust van de fotograaf. De blik introvert naar beneden. Willen verdwijnen van het beeld, dit in tegenstelling tot de buik. De andere arm in een pose die we als verleidelijk zouden kunnen zien, al werkt de gezichtsuitdrukking niet erg mee.

Het dikke tapijt voorzien van prachtige patronen en kleuren. Gouden knopen op het jasje en langs de minirok een gouden bandje. Royale bank om op te liggen. Linksboven de bank staat het cijfer 593 geschreven, in kleine blauwe letters.

Ooit lang geleden zag ik een expositie met foto’s van diverse harems. Nooit vergeet ik meer die fotobeelden van de eunuchs. Slaven die elders gecastreerd werden en de enige mannen die in een harem mochten verblijven. De triestheid zichtbaar in de ogen. Ik herinner mij het overnemen van zachte vrouwelijke trekken in hun gezicht en lichaam door wegkwijnende mannelijkheid. Het maakte veel indruk.
De rijkdom en luxe van de harem, helemaal niets in vergelijk met het wegnemen van de essentie van een mens. Intens wreed.

Dit deel, En perse types, costumes en Mœurs,  is een onderdeel van het boek Autour du monde Aquarelles Souvenir Voyages. Ca. 1900 uitgegeven door L.Boulanger, Boulevard Montpernasse. Dit boek moet tot de verbeelding hebben gesproken voor iedereen die toen de foto’s bekeek.

Bij een treurige meneer vond ik een stapeltje rommelige papiertjes. Op een daarvan stond deze melancholische Perzische uit een harem. De meneer hield zijn verkooppraatje maar ik was al op reis. Het drong niet tot mij door. Reizen met de restjes van dit boek op schoot door het zien van de kleding, de dagelijkse taferelen en de landschappen.

Ik ga er even tussenuit en hoop u weer terug te zien na de zomer.
En pak in de tussentijd uw allermooiste boek en leg het op uw schoot.

Een blik op eten

Eva recepten blikjeEen wit metalen blikje met vrolijk gekleurde proviand zoals wortels, tomaten en flessen olie. In zwarte letters Eva recepten. Binnenin receptenkaartjes, gerubriceerd met tabbladen. Eva; het rijk der vrouwen, een tijdschrift dat verscheen tussen circa 1940 en 1972. En in dat rijk der vrouwen werd er gekookt.

Ik vind het trommeltje in een schap op een rommelmarkt, in de buitenlucht. Op weg naar huis bedenk ik dat als we over eten praten we nooit alleen over eten praten. We beschrijven mensen met wie we de maaltijd delen en vertellen over de sfeer aan tafel. Zitten we op een vaste plek, met z’n allen of alleen voor de tv? Worden er gesprekken gevoerd? Eten we ons bord leeg of gooien we de spruitjes weg als niemand kijkt?

Mijn eerste lessen over voedsel krijg ik van mijn ouders. Daarna, behoorlijk jong nog, ga ik zelf ook wat proberen. Met het groter worden van mijn wereld groeien mijn ervaringen  met voedsel. Ik leer en hoor van dingen waar ik niets van weet. Kookboeken maken vanaf mijn elfde jaar mijn knieën week.

Ik heb mensen echt horen zeggen dat ze niet om eten geven. “Als het kon nam ik een pilletje in plaats van eten”. Als ik dit hoor krijg ik rillingen over mijn rug en voel diep mededogen. Er zijn zoveel aspecten die te maken hebben met voedsel en de sociale gebeurtenissen eromheen. Bereiden, inkopen, sorteren, bedenken, bewerken, kneden, uitproberen, verwennen, aankleden. Is er dan niets, helemaal niets van je gading bij?

Ik heb eindeloze herinneringen aan eten. Van een kleine waggelende man die teveel at na jaren van een totalitair rantsoen, tot een door vlinders gevuld lichaam dat alleen van liefde al kon bestaan. In de heetste zomer die ik ooit meemaakte at ik buiten in een regenbui. Wij zaten op het terras. Iedereen ging naar binnen bij de eerste druppels, wij bleven zitten. De regen siste op onze verhitte lichamen. Wij kregen applaus van het hele restaurant. En de verkoelende regen kwam eindelijk, eindelijk met bakken naar beneden.
Nooit vergeet ik de big in de pot, bovenop de tegelkachel. In een ver en folkloristisch land, tussen de bergen, stond bovenop een tegelkachel een wasteil. Daarin lag het speenvarken voor aan het spit. De varkenspootjes koket uit de teil. Het hele gezelschap keek ongemakkelijk naar de hakjes, giechelden zenuwachtig en nam er nog maar een. De echte kerels stonden op en deden het vuile werk.

Mijn herinneringen voeren mij mee op reis, langs plaatsen waar ik was, door de tijd en langs mijn disgenoten. De ene gedachte roept de andere op. Opgeborgen, als in een blikje, komen ze er één voor één uit. Ik zou gulzig en onverzadigbaar uren kunnen doorgaan. De herinneringen aan eten: ik lust ze rauw.

Hazen in het ongewisse

Ook de hazen weten het niet

Daar sta je dan als haas. Vertwijfeld over welke richting nu de juiste is. Met de overgebleven paaseitjes in je tasjes. Niemand toont meer interesse, op die ene consument na die alle afgeprijsde eitjes in zijn winkelmandje propt, voor wat geluk. Wat moet je ermee?

Dan ben ik op weg naar een studiedag met het thema chaos en conflict. Alleen de titel geeft al voorpret. Ik herken mijn eigen gemoedstoestand.
Bij de incheckpaal van de ov-kaart stuur ik onbewust aan op een chaotische expeditie. Check in – check out, bij verschillende maatschappijen, in een onbegrijpelijk ritme. Het is volstrekt onduidelijk of er evenwicht bestaat tussen geleverde dienst – treinritje – en afgeboekte kosten.

Later zit ik in de kerk, in het oosten van het land. Hier begint mijn studiereis met als eerste programmaonderdeel de wake-up call. Knappe jongen die mij hier, in deze gemoedstoestand, wakker krijgt.

Als ik iemand op het podium “en nu allemaal” hoor roepen krijg ik een intern conflict. Ik doe niet mee. Ik dein in mijn eigen tempo en alleen wanneer ik vind dat er iets te deinen valt. Vanuit mijn opvoeding mag ik ook niet meedoen met de polonaise. Daar mis je niets aan. Ik kijk liever om me heen. En verbaas mij over het enthousiasme waarmee de meeste mensen zich zomaar in het massale storten. Mij lukt dit niet. Ik kan het niet. Ik begrijp het niet. Maar ook mijn eigen vastomlijnde ideeën begrijp ik niet. Waarom kom ik daar niet van los? Waarom doe ik niet gewoon mee?

De hippe mensen vertellen mij dat we druk bezig zijn onszelf te ontspullen. Lekker alles weggooien, even iets in je handen pakken en jezelf erbij de vraag stellen of je er gelukkig van wordt. Voel je niets dan mag het weg. Natuurlijk zit geluk niet in tuttige damesschoenen, een flitsende nieuwe telefoon of in de zoveelste tuthola van porselein. Dat had ik u ook wel kunnen vertellen. Alleen was die Japanse dame mij net voor.

Balans ervaren we als er tussen geest en materie evenwicht is leerde ik op mijn studiereisje. Dus tussen ideeën en spullen. Want als we doorslaan naar één kant gaat het mis. De milieucrisis is er omdat we doorslaan in het hebben van spullen. Bij het overdrijven in godsdienst ontstaat er conflict. Met de ander. Jij hoort niet bij ons. En dus moet jij dood of weg.

En na dat ontspullen nu allemaal in een klein-tiny-huisje wonen, roepen de trendwatchers. En huren in plaats van kopen. En de meeste van ons willen wel, maar kunnen niet. Een intern conflict.

Territoriumexpansiedrift is mij volstrekt niet vreemd. Ik heb in heel veel kleine huisjes gewoond. Verlangen naar een eenvoudig leven; dat is romantiek waar mijn hartje sneller van gaat kloppen. Maar pure romantiek krijgt bij Mevrouw R. pas echt goed vorm in royaal strekkende meters. Het voelt anders toch alsof ik de kaarsen uitblaas en in de verlichting van een treurige tl-lamp mijn buurman ga verleiden.

Praktisch gezien ben ik toch meer het type voor een magnifieke villa en een overschot aan rommelkamertjes. En alles weggeven – ik speel weleens met de gedachte. Maar ik kan het nog niet. Zou ik met minder ballast beter af zijn? Voorlopig twijfel ik nog.
De allerlaatste zin tijdens de studiedag doet mij goed: “je moet het vooral niet weten.

Thuisgekomen moest ik maar weer eens een stukje schrijven. Over rariteiten, chaos en conflict. Denk ik.
Ik kijk naar mijn haasjes en herken alweer mijn eigen gemoedstoestand.
Ook ik weet niets zeker.